De fietsen waarmee de werfnummers
Over hun werf reden zijn kapot
En niemand weet begot wie hun oud karkas zal kopen
Maar daar kwam dan de snelle fietsenzot
Hij ging met alle bellen lopen
Ze aten er hun boterhammen op
De pauzehokjes naast het bouwdok voor de schepen
Den Duits, De Rooie, de Vuilen Bock
Het was er niet warm in de winter
Zo zonder façade, zonder deur
Maar samen waren ze, de koffie heet
En babbelen: "Gij kalf, het staat in de gazet"
Ze dronken er hun thermos leeg
Rust, verlost van het gedonder der machines
De Lange Verwaest, den Turk die liever zweeg
Het was er te warm in de zomer
Zo zonder façade, zonder deur
Daar zitten, zomaar zitten
De helm, geel van kleur, op de tafel gezet
En als dessert, chocola met hazelnoten
Soms dachten ze, zonder het te zeggen:
"Goed dat we elkaar nog kunnen kloten"
Laat ons deze historie schrijven met hoeden en met petten
Vooreerst veel klakken en één buizenhoed om op het hoofd te zetten
Het kokette hoedje van de meter van de olietanker
Delicaat vervat in haar verzorgd coiffuur
De muts van de trommelaar, de helm van de lasser
De koning die de Zaat bezoekt, een onbevlekte witte helm
Die van de vakbond rood, groen en blauw
met stoere stickers op
Een hoofddeksel is kleur bekennen
Laat ons verhalen van de hoeden en de petten
Ieder draagt met trots zijn schedeltooi
De ene incasseert, de andere dicteert de wetten
Je steekt gewoon de stekker in
En de molen gaat weer draaien
De slang bijt in zijn staart
En de boer begint het zaaien
De bedienden draaien rond het kaderlid
De kaderleden rond de directeur
Die knikkend voor de aandeelhouder zit
Die rond de beurspot draait
Zo is voorlopig nog het eindeloos begin
Je steekt gewoon de stekker in